Geschiedenis
Net zoals elders in de kasselrij Kortrijk was het grondgebied van Aalbeke versnipperd over veel heerlijkheden, zoals Ter Heule en Ten Nieuwenhove. De heerlijkheid Aalbeke was niet de voornaamste, maar aan het bezit ervan was de titel van dorpsheer verbonden. In de 15de eeuw kwam ze in handen van de familie de la Barre, Heren van Moeskroen, later opgevolgd door de familie van Liedekerke, de Basta en d'Ennetières. Het familiewapen van de Basta lag aan de basis van het wapenschild van Aalbeke en gelijkt daarom sterk op dat van Moeskoen. In de tweede helft van de 18de eeuw werd de weg Kortrijk-Rijsel een echte "steenweg".
In 1762 woonden er ca. 1000 mensen in 124 behuisde hofsteden en 102 "kortwoonsten". In 1834 waren er 112 eigenaars van gronden en hoeven van meer dan 1 ha. De grootste hoeven waren nog altijd Ter Heule en Ten Nieuwenhove. Een belangrijke nieuwe grondeigenaar was toen de Kortrijkse familie Debien, die meer dan 30 ha Aalbeekse grond bezat . De familie bouwde rond 1800 het kasteel dat nu bekend staat als het "kasteel van Allart". Het bosareaal, voornamelijk gelegen op de hoger gelegen zware kleigronden, de "klijtkobben", verminderde tussen 1762 en 1834 met 8 ha tot ca. 39 ha.
De eerste officiële trein tussen Kortrijk en Moeskroen reed op 14 november 1842. Toch duurde het nog jaren vooraleer Aalbeke een station kreeg en het fenomeen van de pendelarbeid naar de Waalse en Noord-Franse industriecentra op gang kwam. In 1896 werkten de meeste Aalbeekse werklui in de industrie (vnl. thuiswevers). De eerste lokale fabriek van enige omvang kwam er in 1907-1908, toen Ernest Dumoulin de "mechanische dakpannenfabriek De Sterreberg" bouwde. In 1912 werkten er 150 arbeiders. Geleidelijk gingen de kleiontginningen zwaar wegen op de Aalbeekse landbouw. De kleitreintjes, die met hun "berlingskes" over de decauvillespoortjes naar het "pannekot" reden, werden een vertrouwd beeld in het dorp.
Tijdens het interbellum verschoof de tewerkstelling van de landbouw naar de industrie en de diensten snel. Enkele aannemersbedrijven en de tapijtweverij De Poortere (1929) kenden een belangrijke groei. Begin jaren 1950 werkte ongeveer één vierde van de bevolking in het noorden van Frankrijk en in Moeskroen. Daarom groeide de populatie vrijwel niet: de lintbebouwing beperkte zich tot de hoofdwegen in het centrum. De rest van de bevolking woonde verspreid.
In 1956 werd het eerste Bijzonder Plan van Aanleg goedgekeurd en werden de eerste sociale woningen gebouwd. Nadien volgde de ene verkaveling na de andere.
Midden de jaren 1960 startten de werken voor de aanleg van de E17. De Preshoek werd hierdoor figuurlijk van het centrum afgesneden. In 1973-74 verdween de Kapelhoek van de kaart voor het klaverblad E17-E403. Andere landbouwgrond werd opgeofferd voor het transportbedrijvencentrum LAR (Lauwe-Aalbeke-Rekkem).
Vanaf 2002 startte het Vlaamse Gewest met de aanplanting van Preshoekbos, dat 400 ha groot moet worden.
(Filip Santy)
